Kermis.nl
← Al het nieuws

School op de bok: hoe kinderen van kermis, circus en binnenvaart toch onderwijs krijgen

8 juni 2026 · exploitant

Voor wie meereist met de kermis, het circus of een binnenvaartschip is gewoon naar school gaan nooit vanzelfsprekend. Een wereld van rijdende klaslokalen, afstandsonderwijs en internaten die nu flink onder druk staat.

Een oud probleem

Kinderen van kermisexploitanten, circusartiesten en binnenvaartschippers vormen samen de zogenoemde "trekkende bevolking". Ze zijn leerplichtig, net als ieder ander kind, maar ze zijn het grootste deel van het jaar onderweg. Daardoor is naar één vaste school gaan praktisch onmogelijk.

Dat is geen nieuw vraagstuk. Toen de eerste Leerplichtwet in Nederland op 1 januari 1901 van kracht werd, vielen kinderen zonder vaste woonplaats er bewust buiten. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog waren er voor kermiskinderen geen aparte voorzieningen: wie het kon betalen stuurde de kinderen naar een internaat, de rest ging alleen in de winter — buiten het seizoen — naar school, of bleef achter bij familie.

Voor schipperskinderen was het al even moeilijk. De noodzakelijke huisvesting aan wal kostte ouders tot 1969 een vermogen; die kosten waren niet eens als beroepskosten aftrekbaar. Huisvesting om je kind naar school te kunnen sturen gold voor de belastingwet destijds als "overbodige luxe".

De Rijdende School: een schoollokaal op wielen

De oplossing die in 1955 ontstond, bestaat nog steeds. In dat jaar opende in Groningen de eerste rijdende school — een omgebouwde autobus met volgwagen — onder de naam *Prinses Beatrixschool*. Koningin Juliana bracht er datzelfde jaar een bezoek.

Immiddels bestaat de **Stichting Rijdende School** (gevestigd in Geldermalsen) 70 jaar; het jubileum werd in maart 2025 gevierd. Sinds de jaren tachtig vallen ook circuskinderen onder haar zorg. De stichting verzorgt het basisonderwijs aan zo'n 220 rondreizende leerlingen van 4 tot 12 jaar en beheert een tiental grote schoolwagens plus ruim tien mobiele "minischolen", verspreid over het land.

Het onderwijs zelf is opgesplitst in twee scholen die meereizen: *De Wielewaal* voor de onderbouw en de *Prins Bernhardschool* voor de bovenbouw. Het systeem werkt zo:

- **In het reisseizoen** (grofweg maart tot oktober) krijgen de kinderen les in de rijdende scholen, op de plek waar de kermis of het circus staat. - **In de winter** wonen de meeste families op een vaste standplaats en gaan de kinderen naar een reguliere "winterschool" in de buurt. - **Zomervakantie kennen ze niet** in de gebruikelijke zin: die tijd gebruiken ze om lesdagen in te halen die ze door het reizen misten.

Omdat winterscholen door het hele land verschillende methodes gebruiken, is maatwerk en goede afstemming cruciaal. De Rijdende School liep daarom al jaren vóór corona voorop met **afstandsonderwijs**: een digitale leeromgeving met videoverbinding, zodat kinderen ook leskrijgen wanneer ze in kleine groepjes, individueel of in het buitenland zijn. Toen tijdens de coronacrisis heel onderwijzend Nederland plots online moest, was dat voor deze kinderen dus weinig nieuws.

Het keerpunt: het voortgezet onderwijs

Het rijdende onderwijs houdt op bij de basisschoolleeftijd. Zodra een kind naar het voortgezet onderwijs gaat, reist het niet meer mee. Vanaf dat moment moet er een oplossing aan wal komen — en dat betekent in de praktijk vaak: een internaat, of onderkomen bij familie. Korte periodes mee mogen wel, waarbij de eigen vo-school verantwoordelijk blijft voor het onderwijs.

Dit is precies het scharnierpunt waar veel families tegenaan lopen: het kind dat tot dan toe in de vertrouwde reizende gemeenschap opgroeide, moet ineens permanent op een vaste plek wonen, los van de ouders.

De schipperskinderen en de internaten

Bij de binnenvaart ligt dat omslagpunt nóg vroeger. Heel jonge varende kinderen (ongeveer 3,5 tot 7 jaar) krijgen onderwijs via het **LOVK** — het Landelijk Onderwijs aan Varende Kinderen. De kern daarvan is bijzonder: het onderwijs wordt thuis, aan boord, door de ouders zelf gegeven, met lesmateriaal en begeleiding van de organisatie.

Maar dat houdt op. Volgens het *Besluit trekkende bevolking* (Wet op het primair onderwijs) moeten deze leerlingen het varende onderwijs uiterlijk verlaten na het schooljaar waarin ze zeven worden. Vanaf groep 3 gaan de meeste schipperskinderen daarom naar een **schippersinternaat** en volgen ze regulier basisonderwijs aan wal, op een van de gespecialiseerde BSOS-scholen (Basisscholen Onderwijs Schipperskinderen) in de buurt van zo'n internaat.

De internaten — de officiële, wat archaïsche term luidt *"Tehuis voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben"* — boden generaties lang een tweede thuis. Het Prins Hendrik Internaat in Nieuwegein, het oudste van het land, ving sinds 1915 meer dan 4.000 schipperskinderen op.

Onder druk: krimp, sluitingen en bezuinigingen

En juist dat systeem staat nu zwaar onder druk. De rode draad is een sterk teruglopend aantal kinderen: het varende gezinsbedrijf wordt steeds zeldzamer in de binnenvaart.

De cijfers zijn veelzeggend. Onderzoek van KPMG ging uit van een daling naar circa 465 kinderen op de schippersinternaten in 2027 en 419 in 2029. Koepelorganisatie **Meander** kondigde als gevolg daarvan een ingrijpende afslanking aan:

- De internaten in **Capelle aan de IJssel, Nieuwegein (Prins Hendrik), Maasbracht (De Prinsenvaart), Lemmer (Het Kompas)** en **Dordrecht (De Singel)** gingen of gaan dicht. - Het Prins Hendrik Internaat in Nieuwegein sloot in 2025 definitief, na 110 jaar. Ter gelegenheid daarvan werd op 6 september 2025 een grote reünie gehouden. - Op termijn blijven naar verwachting nog enkele locaties over, waaronder **Zwijndrecht, Zwolle en Nijmegen**; voor Noord-Nederland en Zeeland gelden sluitingsdata rond 2032, zolang het kindertal boven de acht per locatie blijft.

De sluitingen leidden tot maatschappelijke onrust, media-aandacht en Kamervragen. Een aangenomen motie (van onder anderen Koerhuis, Van den Hil, Van der Plas, Stoffer en Van der Graaf) vroeg het kabinet de "uitzetting van schipperskinderen" te stoppen en de problematiek goed in kaart te brengen. Belangenorganisaties wijzen erop dat geografische spreiding van internaten cruciaal is: zit een internaat te ver weg, dan wordt varen met een schoolgaand kind onhaalbaar — en verdwijnt het gezinsbedrijf helemaal.

Daar bovenop kwam een financiële dreiging. In de bezuinigingsplannen werd ook het **stopzetten van de subsidie voor de schippersinternaten** genoemd, een post van zo'n 16 miljoen euro. De rijksbijdrage loopt via de *Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan*; de normbedragen daarvan werden na het KPMG-onderzoek herijkt en geïndexeerd.

Waarom dit ertoe doet

Achter de romantiek van kermis en circus — het reizen, de vrijheid, het familiebedrijf dat generaties meegaat — schuilt een heel praktische vraag: hoe geef je een kind een volwaardige schoolloopbaan als je elke week ergens anders staat? Het antwoord is een fijnmazig, deels uniek Nederlands systeem van rijdende scholen, afstandsonderwijs, winterscholen en internaten, opgebouwd over zeventig jaar.

Tegelijk laat de huidige krimp zien hoe kwetsbaar zo'n systeem is. Naarmate er minder reizende en varende gezinnen zijn, wordt elke voorziening duurder per kind en moeilijker overeind te houden. De afweging die nu speelt — kwaliteit en bereikbaarheid van onderwijs versus betaalbaarheid — bepaalt mede of het rondreizende bestaan voor gezinnen met kinderen in de toekomst nog haalbaar blijft.

---

*Bronnen o.a.: Stichting Rijdende School / De Nederlandse Kermisbond, LOVK, Schuttevaer, Scheepvaartkrant, Tweede Kamer / Rijksoverheid (Kamerstukken en KPMG-onderzoek), CBS, Wikipedia.*

Bron: Kermis.nl Redactie